De Garrard 4HF nader bekeken

door René Rijzewijk

Een van de weinige platenspelers uit de jaren vijftig van de vorige eeuw die 
waardig genoeg is om op de HiQ installatie aan te sluiten is de Garrard 4HF
uit 1957. Zijn grote broer de 301 is dat ook, maar we moeten iets te dromen over houden. 

Eén brok degelijkheid. Uiteraard ook wel nadelen, die zich vooral toespitsen op de aandrijving met een rubber aandrijfwiel. We moeten niet vergeten dat het ontwerp uit 1956 stamt. Er is eenvoor die tijd groot wiel gebruikt (die van de 301 is nog groter) en in de oorspronkelijke conditie moet de platenspeler vrijwel rumble vrij zijn. Tegenwoordig zijn de wielen 
uiteraard op leeftijd en is de flexibiliteit er een beetje uit. Wel makkelijk op te lossen, door aan de buitenkant iets weg te schaven. Moet wel nauwkeurig gebeuren. 


Rubberen tussenwiel voor de overbrenging naar de draaitafel

Er zit vrijwel geen plastic verwerkt in het apparaat, op wat kleine details na zoals knoppen, afdekkapjes, singelpuck en (helaas) de elementhouder. Wel van het stevige soort plastic. Voordeel is weer dat de koppen makkelijk te verwisselen zijn, waardoor je kan wisselen van element. Ook kunststof wordt echter oud en ik heb al meegemaakt dat het voetje om de kop in de arm te steken afbreekt. Wel weer makkelijk te lijmen trouwens. Gaat hij weer jaren mee. 

Het chassis is een zwaar metalen persplaat, evenals de bodemplaat van de console. De zijwand is een vlakke metalen plaat de gebogen is. De onderdelen zitten met elkaar in rubberen strips geklemd. Deze strips hebben als voordeel dat ze ook meteen als demping dienen, naast de decoratieve functie. 

De techniek is ook een en al degelijkheid. De motor is voor een niet al te dure huis-grammofoon niet kinderachtig en loopt geruisloos. Het afslagmechanisme doet aan die van de oude slingergrammofoons denken, inclusief remblokje. De platenspeler staat bij afslag vrijwel meteen stil, ondanks de zware draaischijfvan enkele kilo's. De afslag gaat wel wat grof. Echter, als het je niet bevalt kan je deze uitzetten. De platenspeler slaat dan niet af, dat doet hij pas als je de arm optilt en in de houder drukt. Daar zit ook een afslag in. Heel slim.

Als je halverwege een plaat wilt stoppen hoef je de arm niet naar de eindgroef van de plaat te bewegen, zoals bij alle andere platenspelers uit die tijd. Door de elektronica is er geen knal bij afslaan. Wel een stevige mechanische knal trouwens, door het remblokje tegen de draaischijf. 

De transcriptie arm is voor die tijd een wondertje. Lang en soepel in de bewegingen. Op de twee draaipunten gaat hij vederlicht. Als dat niet zo is mankeert er wat aan. De arm is mooi lang en ook het tegengewicht is fijn af te stellen. Behalve de kop is hij geheel van metaal. Bij de draaipunten van gegoten metaal en wit gelakt.

De buis zelf is van aluminium. In de jaren vijftig was dit een nieuw en luxe metaal. Daarom is hij ook blank, om dit te laten zien aan de gebruiker van die tijd. In tegenstelling tot berichten is de arm perfect horizontaal als hij de plaat aftast. Het gerucht dat dit niet zo is, is begrijpelijk. Dit komt door de vormgeving en de hoge voet, die nodig is in verband met de hoge draaischijf. Als je de arm bekijkt op ooghoogte dan is de onderkant precies evenwijdig met de oppervlakte van de plaat (bij gebruik van de meeste elementen). De bovenkant loopt schuin naar beneden. Dit zit in het ontwerp en heeft niets te maken met dat de arm erg schuin staat. Dat doet hij niet, hoewel die indruk wel gewekt wordt door het ontwerp. Ook de
toonkop staat tamelijk schuin en dat is een klein puntje van kritiek. Veel elementen staan dan ook schuin, net even te schuin volgens critici. 

Als je een dikke mat gebruikt of een verhoging op de draaischijf staat de arm echter schuin omhoog. Uiteraard ontbeert de 4HF dwarskrachtcompensatie, iets wat in de jaren vijftig nog niet gebruikelijk was. 

De draaischijf is zwaar en van een geperste plaat, sommigen zien dit laatste als een nadeel. Hij draait echter uiterst licht, mede door de perfecte en verhoudingsgewijs enorme as die ver onder het chassis steekt. Als je hier de borg van weghaalt en de as iets uit zijn huls haalt zie je dat het deel waar de schijf over valt nog maar het topje van de ijsberg is. Om die reden is de console ook hoog om te zien.

De snelheid is perfect te regelen met een stevig uitgevoerde iets in het chassis verzonken knop. Fraai is het bijgeleverde (kartonnen) stroboscoop schijfje die precies in de binnenste ring van de mat valt. De ene kant Garrard logo's en de andere kant de stroboscoop. Die is wel wat iel uitgevoerd. Voordeel is dat bij afstelling het schijfje op de plaat gelegd
kan worden. En zo hoort het ook zoals we weten. Momenteel ontbreekt dit onderdeel vaak, evenals de bijbehorende stofkap van "zeildoek". Collectables dus.


Garrard folder 1960

De 4HF is vooral ook een zwaar apparaat, inclusief de console. Alles is fraai
afgewerkt en mooi ivoorwit gelakt. Het lijkt wel email. Hij staat op drie grote veren, echte springveren, die hun werk goed doen. Geplaatst
op een wat instabiele ondergrond (houten vloer) merk je vrijwel niets van problemen als je gaat lopen. Het apparaat wiebelt dan wel, maar de aftasting van de plaat gaat probleemloos door. 

Maar de ware liefhebber blijft in zijn stoel zitten om van zijn muziek te genieten.

Het is een typisch Engels apparaat en heeft wel iets van de sfeer uit de tv-serie The Thunderbirds. Ook zo typisch Engels. Hij maakt altijd een goede en opvallende indruk als je er een in de kamer hebt staan. 

De 4HF is tot diep in de jaren '60 (1965) gemaakt, tot hij op bepaalde punten toch wel verouderd raakte en ingehaald werd door betere technieken bij platenspelers. Hij is echter nauwkeurig genoeg om met name vroeg vinyl tot zeg 1965 probleemloos af te spelen, mits in goede
conditie uiteraard.

Het gebruik van elementen is een discussie apart. Je moet er wel
rekening mee blijven houden dat het een apparaat uit de jaren vijftig is. 

Het behandelen van het tussenwiel van de 4HF

Dit is heel eenvoudig. In principe zijn de rubber wielen (rubber uiteraard) meestal nog heel flexibel. Wat echter veel gebeurd is dat het toplaagje van het wiel wat hard wordt. Dit is eenvoudig te testen. Ten eerste moet de rand niet. Ten tweede, als je het wiel met je nagel indrukt blijft die indruk meestal te lang zitten. Die hoort meteen te verdwijnen. Ook aan de langzame opstart van de draaischijf kan je zien dat de rand van
het wiel te hard is. Hij slipt eerst. Daarnaast kan hij een zacht ronkend geluid produceren.

Het toplaagje is eenvoudig met boormachine en een stukje schuurpapier
te verwijderen. Je zet het asje van het wiel in de boortol (alleen het dunne deel). Je houdt het stukje schuurpapier vast (of beter, iemand anders) en je schaaft er zo een dun laagje af. Een fractie van een millimeter is genoeg. 
Daarna het wiel schoonmaken met thinner en tot slot met water en zeep. 
De proef met de nagel zal laten zien dat de rand weer mooi flexibel is en
rubberachtig aanvoelt.

Je zal merken dat de draaischijf direct opstart en de platenspeler voor de
komende jaren absoluut stil is. Garrard gebruikte eerste klas rubber.
De al grote wielen van 65 mm (bij de 301 is hij nog wat groter) zijn meestal
nog fraai flexibel en elastisch.

Op de tweede foto moet het wiel nog behandeld worden, de oppervlakte van 
de rand glimt te veel.

Nico had nog de volgende opmerking:

Rubber verdraagt geen vet, dat glimmende laagje is vaak het gevolg van al een héél klein beetje vettigheid. Dat kan er al op gekomen zijn doordat er nogal gerookt is in de buurt van de pickup. Ik geef de voorkeur aan de draaibank (ik ben natuurlijk verwend) met een vlijmscherp beiteltje. 

Om de behandeling duurzaam te laten zijn adviseer ik om de delen die met het rubber in aanraking komen nog even zorgvuldig te ontvetten. 
Daarvoor gebruik ik het wasmiddel "Cillit Bang" en geen benzine of dergelijke oplosmiddelen.