TC Publicaties

Ontstaan platenspeler, Werking platenspeler, Praktijk platenspeler, Amusette wisselaar, Philips HX348A, RCA 45-toeren wisselaar, Stroboscoopschijf, Elektrische reparaties, Reparatie Philips Electrofoon, Dwarskrachtcompensatie, Reparatie RCA 45EY4, Grundig historie, vervolg, Revisie van een Garrard 4HF, Philips Radio's in de jaren '50, Amroh Deuteron, Tester voor kristalelementen, Revisie motor Philips AG1003

De geschiedenis van de platenspeler, door René Daemen

Het ontstaan van de platenspeler

Het begint in 1877 wanneer de jonge Thomas Alva Edison juist bezig is met het uitvinden van een dicteermachine. Hij tekent een apparaat, bestaande uit een cylinder met een stuk tinfolie eromheen, daarop een trechter met daaraan een naaldweergever. Nadat hij het toestel heeft laten bouwen komt hij er achter dat door de trillingen putjes in de tinfolie gegraveerd worden. Edison roept het kinderrijmpje "Mary had a little lamb" in de trechter, waarbij de naald in het ritme van zijn stemtrillingen putjes in de folie maakt. Bij het verplaatsen van de naald klinkt zachtjes uit de trechter "Mary had a little lamb". Hij vraagt meteen patent aan op zijn nieuwe uitvinding.

Edison verbetert zijn Fonograaf, want zo heeft hij het apparaat inmiddels genoemd, door een veermotor aan te brengen voor een constante snelheid en door de afspeelduur te verlengen tot 4 minuten.

1889

Emile Berliner vindt de grammofoonplaat uit. Hij gebruikt bij de opname een glasplaat voorzien van een laagje roet. Hiervan wordt een metalen kopie gemaakt, waarover de naald van de weergever loopt. Deze naaldweergever zit aan een arm met daaraan als versterker een grote hoorn voor de geluidsweergave. Later gebruikt Berliner glazen platen met bijenwas voor de opname en zinken platen voor de weergave. Zo ontstaat de grammofoonplaat zoals wij hem nu nog kennen.


Berliner grammofoon

1925

Nadat er vele jaren alleen acoustische opnames zijn gemaakt, begint men in 1925 met elektrische opnames. De kwaliteit wordt daardoor een stuk beter. De elektromagnetische weergevers komen vervolgens op de markt. Deze bestaan uit een hoefijzervormige magneet met daarop een spoel gewikkeld en daaraan zit de stalen naald. Zo'n weergever wordt in eerste instantie op een grammofoon met veermotor geplaatst, en met twee draden op de grammofoonaansluiting van de radio aangesloten. In dit geval een toestel met zgn. helgloeiers.

In 1928 komt de elektromotor, een soort dynamo model, die via een snaar het plateau aandrijft. Deze motor moet een zetje hebben, want zelf opstarten is er nog niet bij. Ook worden in die tijd al radio's ingebouwd bij de grammofoons o.a. in de bekende Philips meubels. Rond de 2e wereldoorlog ligt de ontwikkeling stil tot men eind jaren veertig het kristal element op de markt brengt (in Nederland door de firma Ronette in Amsterdam). Dit geeft een betere weergave dan het elektromagnetische systeem. De naald is nog wel van staal, maar wordt ook geleverd met een saffiertip voor een langere speelduur.

1950

Het kristal element wordt verbeterd en de langspeelplaat komt op de markt. Deze is net zo groot als de 30 cm 78-toeren plaat. Om deze af te kunnen spelen komt een kleiner model kristal element op de markt met twee saffieren voor LP en 78-toeren. De platenspelers krijgen er een tweede toerental bij nl. 33 toeren. De bekende Philips 2978 met het dunne armpje is zo'n apparaat waarmee men deze platen kan draaien.

In de USA is RCA sinds 1939 bezig met het ontwikkelen van de 45-toeren single van kunststof. Deze moet de breekbare 78-toeren plaat gaan vervangen. Tijdens de 2e Wereldoorlog ligt de ontwikkeling stil. De 45-toeren plaat wordt uitgevoerd met de minigroef of zoals Philips vermeldt: de "Minigroove".

De geluidskwaliteit is al een stuk beter. Deze minigroef vinyl plaatjes ruisen ook niet meer zo als de 78-toeren schellakplaat. Bovendien zijn de platen een stuk kleiner en …onbreekbaar. Om in Amerika de 45-toeren plaat te promoten brengt RCA in 1949 het kleine 45-toeren wisselaartje op de markt. Deze kan zowel op de radio aangesloten worden als op een (soms zelf gebouwd) versterkertje.


RCA 45-toeren wisselaar type 45EY3 uit 1950

1953

In Nederland komt de 45-toerenplaat uit. Het schijfje van 17cm (7 inch) moet de breekbare 78 toerenplaat gaan vervangen. Dit duurt nog tot 1956. De pickups krijgen er weer een snelheid bij. De oude twee snelheden worden vervangen door drie snelheden: 33, 45 en 78 toeren. De nieuwe singles kan men met de LP (of M) naald draaien.
De platenwisselaar zijn ook in opmars. Vooral bij dansscholen, waar men 10 singles kan plaatsen op de wisselaar zodat men lang muziek heeft. 
Ook radiomeubels worden voorzien van een wisselaar. Vooral handig met de toen populaire opera's en symfonieën.

1958/1959

De stereoplaat komt uit. Alweer een verbetering. De (mono) koffergrammofoon met ingebouwde versterker krijgt een extra uitgang waarop een radiotoestel aangesloten wordt als tweede kanaal om het stereo geluid te kunnen horen. Monoplaten kan men gewoon blijven afspelen op het apparaat via de ingebouwde mono versterker.
In 1961 wordt de stereoversterker in de grammofoon geplaatst. Ook Hi-Fi is in opmars, en duurdere platenspelers. Het MD element komt uit wat voor een goede Hi-Fi klank zorgt.

1959

De laatste schellak 78-toeren plaat komt uit de pers (de "Schneewalzer" van het harmonica duo "Schriebl en Hupperts"). Wel worden nog een aantal jaren klassieke 78-toeren plaatjes gemaakt uit vinyl. In Afrika en sommige Aziatische landen duurt het tot 1962 voordat de 78-toeren plaat uit de winkels is verdwenen. 

1972/1975

In deze periode komt er nog een vinding bij: Quadrafonie of CD4.
Dit is een vier-kanalen systeem waarbij de versterker een decoder bezit om de 4 kanalen te splitsen over 4 luidsprekerboxen. Eigenlijk een voorloper van Dolby Prologic. De platenspeler moet hiervoor worden uitgevoerd met een 4 kanalen element met een "Shibata" naald dat speciaal geslepen is voor CD4 platen.

Dit systeem komt niet van de grond door:

Het dure element en naald

De plaat is ook duur en er komen er weinig van op de markt.

Het geluid is indrukwekkend en gaat van de ene speaker naar de andere zodat men alle 4 de kanalen benut. Tegenwoordig heet dit Sensurround.

De normale stereoplaat kan men naar semi-quadrafonie overzetten, maar ondanks alles wordt het geen succes. Men gaat gewoon terug naar Hi-Fi stereo.
De pickups worden beter door lichtere armen en elementen, de naalddruk loopt terug naar 1 ā 1,5 gram.

1982

De Compact Disc doet zijn intrede. Het schijfje met 12 cm doorsnee bevat 74 minuten muziek in microscopisch kleine putjes die door een laser worden ingelezen. Dit wordt weer omgezet door een converter (omvormer) en doorgegeven aan de versterker. Opnames worden digitaal. De grammofoonplaat is bezig aan zijn zwanezang.

De eerste CD spelers zijn van Philips en Sony, de CD100 resp. CDP101 uit 1982 en kosten ca. Hfl 2.000,-


Philips CD speler type CD100 uit 1982

1990

De LP en de single worden uitgefaseerd. De CD-single komt uit, deze bevat 2 nummers. De Top 40 hits komen in dat jaar nog uit op 45-toeren en de CD-single is een tijdje ook als 8 cm schijfje beschikbaar. Deze kan met een adapter op de oudere CD spelers worden gedraaid. Nieuwe spelers hebben hiervoor een speciale uitsparing.

1992

De LP en 45-toeren plaatjes verdwijnen, en daarmee verdwijnt na meer dan honderd jaar de grammofoonplaat.

2001

De Super Audio CD (SACD) komt uit. Deze heeft een betere geluidskwaliteit en moet het warme LP geluid terug brengen (!). Deze schijf gaat waarschijnlijk in de toekomst de huidige CD vervangen, maar dat duurt nog wel even.

Met MP3 techniek kan het muzieksignaal worden samengeperst, waardoor een CD wel 12 maal zoveel nummers kan bevatten. Deze kan alleen op een MP3 speler afgespeeld worden of op een PC. De geluidskwaliteit is uiteraard minder dan bij een normale CD.